Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX8917

Datum uitspraak2006-05-17
Datum gepubliceerd2006-06-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers223348 / HA ZA 04-2419
Statusgepubliceerd


Indicatie

bewijslevering


Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 223348 / HA ZA 04-2419 Uitspraak: 17 mei 2006 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats] (België), eiseres, procureur mr. B.J.R. van Tongeren, - tegen - [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, procureur mr. J. Heinrici. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]". 1. Het verdere verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 10 augustus 2005 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - akte aan de zijde van [eiseres], met producties; - akte aan de zijde van [gedaagde]. 2. De verdere beoordeling 2.1 Ten einde te bewijzen dat zij door [gedaagde] in de periode eind december 2000 - begin januari 2001 in huis is opgesloten geweest, is [eiseres] bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte de in het bewijsaanbod in de dagvaarding d.d. 10 augustus 2004 genoemde mutatie van de politie in het geding te brengen. 2.2 Bij brief d.d. 5 oktober 2005 heeft mr. J. van de Pas, privacyfunctionaris van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, aan de raadsman van [eiseres] bericht dat de politie de onder 2.1 genoemde mutatie in verband met het gesloten verstrekkingensysteem van de Wet politieregisters niet mag verstrekken. Wel vermeldt Van de Pas dat, ter verkrijging van de door [eiseres] gevraagde informatie, de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond in het kader van een civiele procedure onder ede als getuige kan worden gehoord. 2.3 Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld is [eiseres] er niet in geslaagd om genoemde mutatie in het geding te brengen en zo aan haar bewijsaanbod te voldoen. Nu [eiseres] bij dagvaarding ten aanzien van het gestelde met betrekking tot de opsluiting geen getuigenbewijs heeft aangeboden, kan niet worden vastgesteld of de opsluiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en [gedaagde] op dat punt onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, zodat de schadevergoeding zal worden beperkt tot de immateriële schade die is veroorzaakt door de voorvallen die plaatsvonden in september 1999 en op 31 maart 2000. 2.4 Op 5 september 1999 is ten gevolge van de mishandeling door [gedaagde] bij [eiseres] letsel geconstateerd, bestaande uit sporen van wurging in de hals, een (hecht)wond in de hals en aan de enkel en pijn in de linkerflank. Tijdens het voorval op 31 maart 2000 heeft [gedaagde] [eiseres] met gebalde vuist geslagen en gestompt en haar keel dichtgeknepen totdat zij het bewustzijn verloor. [Eiseres] heeft tengevolge van deze mishandeling diverse kneuzingen en onderhuidse bloedingen opgelopen aan hals en gezicht, alsmede een bloeding in het oog en een gebroken neus, waarvoor zij in april 2004 een correctieve operatie heeft moeten ondergaan. 2.5 Bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade dienen de aard en de ernst van het lichamelijke en/of psychische letsel maatstaf te vormen. Hiertoe neemt de rechtbank in aanmerking het feit dat het in de onderhavige zaak gaat om het op verschillende momenten opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel. Daarbij wijzen de ernst van de verwondingen op een zeer ernstig gebruik van geweld, tengevolge waarvan [eiseres] aanzienlijke pijn en bijbehorend ongemak heeft ondervonden. Dit afwegend en mede gelet op uitspraken in vergelijkbare gevallen oordeelt de rechtbank dat de door [eiseres] als gevolg van de gedragingen van [gedaagde] geleden immateriële schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 4.000,--. 2.6 Aangezien de ingangsdatum van de wettelijke rente niet is betwist, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 31 maart 2000. 6. De beslissing De rechtbank, veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 4.000,-- (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2000 tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 1.331,78, waarvan te voldoen: a. aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 19 23 25 892, ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545], onder vermelding van zaak- en rolnummer): € 216,-- aan in debet gesteld vast recht; € 83,78 aan in debet gestelde kosten voor de deurwaarder; € 960,-- aan salaris voor de procureur; -------- + € 1.259,78 b. aan de procureur van [eiseres]: € 72,-- voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann. Uitgesproken ter openbare terechtzitting. 1834/429